Naar de inhoud
Dierenkliniek Zorg

Kennisbank · Kat · Preventie en entingen

Castratie en sterilisatie van de kat: waarom en wanneer

Een gecastreerde kater sproeit minder, vecht minder en zwerft minder ver. Een gesteriliseerde poes krijgt geen nesten en geen baarmoederontsteking. Over de leeftijd denken we per kat mee.

Waarom we het adviseren

Katten worden jong vruchtbaar en planten zich snel voort. Een poes kan meerdere nesten per jaar krijgen. Ongewenste nesten belanden vaak in het asiel of op straat. Daarnaast scheelt de ingreep je kat een hoop onrust. Een kater die niet meer op zoek gaat naar poezen, blijft dichter bij huis, vecht minder en loopt daardoor minder kans op verwondingen, abcessen en op de virussen die katten via bijtwonden aan elkaar geven.

Wat het bij de kater verandert

Bij de kater halen we de zaadballen weg. De hormonen die het sproeien, het zwerven en het vechten aandrijven vallen daarmee weg. Bij een jonge kater die nog nooit heeft gesproeid, voorkom je dat gedrag meestal helemaal. Heeft een kater het gedrag al langer, dan verdwijnt het vaak, maar niet altijd volledig, omdat het ook een aangeleerde gewoonte is geworden. De scherpe geur van de urine wordt na de ingreep duidelijk minder.

Wat het bij de poes verandert

Bij de poes halen we de eierstokken weg, en soms de baarmoeder erbij. Ze wordt dan niet meer krols. Krolse poezen roepen luid, rollen over de grond en willen naar buiten, soms dagen achtereen. Zonder eierstokken gebeurt dat niet meer. Daarnaast voorkom je een ontstoken baarmoeder op latere leeftijd, wat een ernstig en spoedeisend probleem is. Vroeg opereren vermindert bovendien de kans op melkkliergezwellen, die bij de kat vaak kwaadaardig zijn.

Wanneer

De meeste katten worden rond de leeftijd waarop ze geslachtsrijp beginnen te worden geopereerd, dus in de eerste levensmaanden. Voor een kat die naar buiten gaat heeft het zin om dat niet te lang uit te stellen. Bij grote of laat rijpe katten kan een andere afweging gelden. Er is geen reden om een poes eerst een nestje te laten krijgen. Bespreek met de dierenarts wat voor jouw kat en jouw situatie het beste moment is.

Rond de operatie

Je kat gaat nuchter onder narcose; de dierenarts vertelt je precies vanaf wanneer hij niets meer mag eten. Water mag meestal langer. Vooraf kijken we of je kat gezond genoeg is voor de narcose. Na de ingreep hoort je kat een dag of wat rustig aan te doen en binnen te blijven. Zorg dat de wond dicht blijft: een kraag of een pakje voorkomt likken. Pijnstilling krijgt je kat van ons mee of toegediend; geef nooit zelf iets uit je eigen kastje.

Na de ingreep heeft je kat minder energie nodig dan daarvoor. Blijf je de oude portie geven, dan komt je kat vaak aan. Pas de hoeveelheid dus aan en weeg je kat de eerste maanden regelmatig.

Bel ons als je dit ziet

Bel meteen als de wond opengaat, gaat bloeden, dik of warm wordt of gaat ruiken, als je kat na de operatie blijft braken, niet eet, niet plast of erg suf blijft.

Bel 0653175419

Dit is voorlichting van Dierenkliniek Zorg, geen diagnose. Twijfel je over je dier? Bel 0203693101 of maak een afspraak.

Lees ook

© 2026 Dierenkliniek ZorgPrivacy · Voorwaarden · VeiligheidGegevens in de EU · Betalen via Stripe · Geen volgcookiesVoorbeeldsite — de gegevens op deze site zijn fictief.Website door OpenCloudApps